De duivel en een kind aan het spit


Een heer woonde alleen in een groot huis, bovenop een grote heuvel. Op een dag ging de heer naar de markt en zag daar een duivel in een kooi: Een duivel met een staart, geel van kleur, met slagtanden, en hij was zo groot als een flinke hond. De duivel zat rustig in de sterke kooi van bamboe en knaagde op een bot. Naast de kooi stond de marktkoopman en de heer vroeg of de duivel te koop was. ‘Natuurlijk,’ zei de koopman. ‘En het is een goede duivel ook, sterk en ijverig, hij kan alles. Zoals timmeren, in de tuin werken, koken, kleren verstellen, voorlezen, hout hakken en zo voort. En… hij is niet duur. Voor 500 dollar mag je hem meenemen.’

De heer betaalde direct, en wilde de duivel al meenemen toen de koopman hem tegen hield. ‘Een ogenblik,’ zei de koopman. ‘Omdat u niet afgedongen hebt, wil ik u nog iets vertellen. Kijk, het is natuurlijk wel een duivel, en duivels deugen niet. Dat weet u ook.’ ‘Maar u zei dat hij zo goed was,’ zei de heer verontwaardigd. ‘Ja ja,’ zei de koopman, ‘dat is hij ook. Hij is erg goed maar deugt niet. Hij is en blijft een duivel. U kunt veel plezier aan hem hebben op één voorwaarde: U moet hem aan het werk houden. Iedere dag moet u hem een programma opgeven: Van zo laat tot zo laat moet je hout hakken, dan mag je eten, koken, en na het eten mag je een half uur rusten, maar dan moet je ook rusten, en dan moet je in de tuin spitten, etc. Als hij vrije tijd heeft, weet hij niet wat hij moet doen en dan wordt hij gevaarlijk.’

‘Oké,’ zei de heer en nam de duivel mee naar huis. Alles verliep naar wens. Iedere morgen riep de heer de duivel bij zich die dan gehoorzaam op de mat knielde. Hij kreeg zijn programma en werkte de hele dag door. Als hij niet werkte dan rustte hij verplicht of speelde verplicht, maar altijd op aanwijzingen van de heer.

Tot na enkele maanden de heer in de stad een oude vriend ontmoette en door de plotselinge ontmoeting, en de vreugde van het weerzien, alles vergat en met de vriend sake ging drinken. Het ene kruikje na het andere werd gedronken en de sfeer werd alsmaar plezieriger. Zozeer dat de heer uiteindelijk in slaap viel in een huis van plezier, in de buurt waar de wilgenbomen langs de straten groeien.    

De volgende morgen werd hij laat wakker in een kamer die hij niet herkende. Hij probeerde te herinneren waar hij was en na een tijdje herinnerde hij het zich. Zijn vriend was verdwenen en hij betaalde de rekening aan de vrouwen. Toen hij de buitenpoort van huis opende, rook hij een branderige lucht. Hij stormde zijn huis in en zag hoe de duivel op de houten keukenvloer zat. Hij had een open vuur aangelegd en roosterde aan een braadspit het kind van de buren…

 

Een nogal lang verhaal dit keer, afkomstig uit De Lege Spiegel (Janwillem van de Wetering). Volgens mij het eerste boek over zen dat ik ooit las en nog steeds één van mijn favoriete boeken.

Ik deel dit verhaal wel eens uit tijdens mijn zen-cursussen en natuurlijk is er altijd wel 1 iemand die boos wordt. Dat doe je toch niet! Er wordt een kind geroosterd aan het vuur!!! Ja, ja… maar het is wel een verhaal he, en bovendien afkomstig uit Japan. Japanse verhalen willen nogal eens uit de bocht lopen :).

De moraal van dit verhaal laat zich raden. Het gaat natuurlijk over onze menselijke aard. Het laat zien hoe we veel plezier kunnen hebben van onze kracht, onze talenten en mogelijkheden en ook hoe we deze kunnen verspillen.

Het lijkt enigszins moralistisch, de nadruk op structuur, regelmaat en discipline. Een boodschap die je vroeger zo vaak van je ouders kreeg maar liever niet wilde horen. Het verhaal gaat echter wel iets dieper. Iets in ons verzet zich vaak tegen structuur. Alsof het een soort gevangenis is, en juist dan ontstaat er in ons verzet. Ik wil niet iets moeten, ik wil dat zelf kunnen bepalen. Zoiets.

Mensen hebben vaak een automatische neiging tot vrijheid. De vraag is wat vrijheid precies is. Vrijheid lijkt meestal een ontsnappen aan iets negatiefs. ‘Vandaag doe ik wat ik wil: Niets!’ was ooit de slogan van een beroemd sigarettenmerk. Nogal een merkwaardige slogan. Alsof het hoogste doel wat je met tijd voor jezelf kunt bereiken, niets doen is.

De grote vraag is wat we met vrijheid doen. Meestal komen we niet veel verder dan luieren, amusement en wat al niet meer zij. Daar is niets mis mee, als we dat ook echt willen. Als we dat niet willen, wordt vrijheid een stuk lastiger. Zijn we sterk genoeg om die ruimte goed in te kunnen vullen?

De heer in het verhaal is de baas over de duivel, die enorm veel potentieel heeft… Maar ook de baas vergeet wel eens een schema op te stellen en dan gaat het mis. We kunnen dus gebaat zijn bij regelmaat en structuur, bij een schema dat ons vertelt wat we moeten doen. Als we de ruimte, de vrijheid, hebben om zelf zo’n schema op te stellen is dat mee genomen. Misschien maken we verstandige keuzes en kiezen we voor een interessante richting in het leven. Als we echt een idee hebben wat we met vrijheid willen, kan vrijheid interessante mogelijkheden bieden.

Er zijn boeddhistische tekeningen waar dit verhaal verbeeld wordt: Een monnik rijdend op een duivel. De monnik houdt de duivel in bedwang en zo komen ze samen een heel eind. De monnik met het inzicht, de duivel met zijn kracht, in evenwicht onderweg.