Een doodgewoon iemand…


Zenmeester Bankei is in zijn tuin aan het werk als een man, op zoek naar een meester, hem aanspreekt: ‘Tuinman, waar kan ik de meester vinden?’ Bankei zegt lachend: ‘Als je die deur daar binnengaat, vind je de meester vanzelf.’ De man volgt het pad en gaat naar binnen. Daar ziet hij Bankei in zijn zetel zitten, dezelfde man die hij net in de tuin heeft zien werken. De man zegt: ‘Zit je me voor de gek te houden? Kom vlug uit die zetel. Dit is heiligschennis, je toont hiermee weinig respect voor de meester.’ Bankei komt uit de zetel, neemt plaats op de grond en zegt: ‘Wel, dat maakt het moeilijk. Nu hoef je in de zetel geen meester meer te verwachten…’

Blijkbaar is het voor de man moeilijk om te zien dat een tuinman ook een zenmeester kan zijn. De gedachte dat een zenmeester ook gewoon kan zijn, wat dat dan ook precies is, is blijkbaar vreemd. De man laat zo de kans liggen om een zenmeester te vinden bij wie hij in de leer kan gaan.

Het is een voorbeeld van stempels plakken op de werkelijkheid. De man heeft duidelijke ideeën over hoe heiligheid of status er uit moet zien. De ideeën zijn zo duidelijk dat hij de zenmeester in ieder geval niet ziet.

Het verhaal gaat ook over Iemand Zijn. In zen wordt vaak gesproken over Niet Zijn.

‘Wie ben jij om mij zo te antwoorden,’ vraagt de keizer aan Bodhidharma. ‘Geen idee, misschien ben ik wel niet.’

Niet zijn, niemand of niet-iemand, is niet zo gewoon. Niet Zijn verwijst naar bestaan in de meest pure vorm. Zonder naam, adres, verleden of titels maar juist een zijn zonder begrenzingen. Veel mensen hebben vaak angst om niet iemand te zijn. Mensen zijn gehecht aan hun zogenaamde persoonlijkheid, hun naam, faam of aanzien. Ze hechten zich eraan met als groot nadeel dat het je beperkt in je vrij zijn.

Niets daarvan is werkelijk van belang, niets heeft langdurige waarde. De wens om iemand te zijn houdt je eerder klein, versmalt je, dan dat het je werkelijk iets brengt.

Niemand zijn, niet één iemand zijn, maakt juist dat je de ruimte hebt om meer dan één iemand te zijn. Je bent automatisch flexibeler in je zijn, simpelweg omdat je je niet geïdentificeerd hebt met één soort persoon of één soort gedrag. Daardoor wordt het makkelijker om mee te gaan met een werkelijkheid die altijd in beweging is, die altijd veranderlijk is.

Niemand zijn betekent niet dat je niet van belang bent. Het maakt je alleen flexibeler, minder gehecht aan één soort zijn en juist daardoor eerder in staat om meer te zijn.