Hoe gaat het?


Een zenmeester is ‘s ochtends op het land aan het werk. Een eindje verderop komen leerlingen langs, op weg naar de tempel voor de ochtendmeditatie. Telkens als er een leerling voorbij komt, roept de meester: ‘Goedemorgen, hoe gaat het?’‘Goed hoor.’ is elke keer het antwoord. De zenmeester zucht en schudt zijn hoofd. Opnieuw komt er een leerling langs, de zenmeester vraagt het opnieuw. De leerling tilt zijn hoed op, zet deze achterstevoren op zijn hoofd en maakt een klein dansje. De meester glimlacht: ‘Da’s een stuk beter!’

De zenmeester glimlacht vanwege het eigen antwoord. Een echt antwoord ook. De man heeft de vraag gehoord, er over nagedacht en komt met een eigen verhaal.

Het verhaaltje gaat over echte communicatie in plaats van bijvoorbeeld small talk, vragen die gesteld worden uit beleefdheid maar zonder echte inhoud. De antwoorden die volgen zijn meestal ook zonder inhoud. Je partner doet de afwas. ‘Kan ik je helpen?’ vraag je terwijl je eigenlijk televisie wilt kijken. De vraag is niet gemeend. Het is een beleefdheidsvraag terwijl je eigenlijk liever iets anders doet. Als je het echt gemeend had, had je de vraag niet gesteld en was je gewoon gaan helpen met de afwas. ‘Kan ik je helpen?’ Natuurlijk, je kunt altijd helpen. En als je het eigenlijk niet wil doen, vraag het dan niet.

‘Hoe gaat het?’ is een omgangsvorm geworden, er zit geen diepte meer in de vraag. In het antwoord ‘Goed’, zit meestal ook een leugen (behalve natuurlijk als het echt goed met je gaat J ). Door het te zeggen lieg je ook een beetje tegenover jezelf met het risico dat je geen voeling meer hebt met hoe het echt met je gaat. Kun je ook de vraag stellen: ‘Hoe gaat het?’ en openstaan voor het echte antwoord? En natuurlijk, kun je zelf ook een echt antwoord geven?

In zen is er een voorkeur voor onverbloemd praten: Spreken van hart tot hart. Zo eerlijk en direct mogelijk, zonder opsmuk liefst. Want ook in onze dagelijkse gesprekken zitten vaak nog heel veel kleine leugentjes. Verhalen die stoerder worden verteld of mooier worden gemaakt. Binnen zen wordt er vaak spaarzaam omgegaan met spraak. Als je spreekt, doe het dan zo eerlijk mogelijk. Als er niet gesproken hoeft te worden, dan niet.

Veel zaken waar spraak niet nodig is, worden vaak vervangen door rituelen. Het is opvallend om te zien hoeveel geregeld kan worden zonder onnodig gepraat. Eén zo’n manier is de theeceremonie waarbij slechts één woord wordt gezegd: ‘Thee’, waarna een hele serie van gebeurtenissen volgt: Thee wordt gehaald volgens een vast patroon, kopjes worden uitgedeeld volgens een vast patroon en nog heel veel meer. Slechts met één woord.

Kenmerkend voor zen is ook de wijze waarop de eerste zenpatriarch werd benoemd:

In een van de laatste preken van de Boeddha, houdt hij in plaats van te spreken slechts een lotusbloem omhoog. Zijn leerlingen kijken verwachtingsvol toe, wachtend tot de Boeddha gaat spreken. Slechts één leerling, Mahakasyapa, glimlacht. Boeddha ziet de glimlach en overhandigt hem de bloem. Mahakasyapa wordt zo de eerste zenpatriarch. 

Het is een overdracht typerend voor zen. Een overdracht van hart tot hart, zonder woorden.