MU, een hondje en Oosters versus Westers denken


De zenmeester Joshu loopt met een leerling over straat en ze zien een hondje langs de kant van de weg. De leerling vraagt: ‘Heeft dat hondje de Boeddhanatuur?’ en Joshu antwoordt: ‘MU!’

Dit is een bekende koan (zie het vorige blog over koans) en voor veel zenleeerlingen meestal de eerste koan waar ze mee te maken krijgen tijdens hun studie. De vraag bij de koan is: Wat is MU?

Het is niet de bedoeling om hier de koan op te lossen maar om naar het begrip MU te kijken. MU betekent zoiets als: Ontvraag de vraag. Of, de context van de vraag is te beperkt. Een ja of nee antwoord is niet van toepassing.

MU vraagt ook om de theorie los te laten, al datgene waarmee je probeert grip te krijgen op de werkelijkheid. MU vraagt vooral om een beter kijken, of… open kijken. De leerling kijkt in ieder geval niet. Hij probeert grip te krijgen op dat wat hij ziet, en wil daar een stempel aan geven.

MU heeft ook betrekking op het verschil tussen Oosters en Westers denken. Het verschil in Westerse en Oosterse filosofie kun je ook zien als een verschil tussen waarheid en werkelijkheid. Een vergelijkbaar verhaal als bovenstaand, maakt dit duidelijk:

Een blanke vrouw loopt samen met een indiaan over de prairie en ze zien een wilde hond lopen. De vrouw vraagt: ‘Wat voor hond is dat?’ De indiaan antwoordt: ‘Dat is een goede hond.’

De vraag is een vraag naar waarheid, naar feitelijkheden, het soort hond. De Indiaan begrijpt de vraag niet of wil hem niet in dat kader beantwoorden. Hij kijkt naar de hond zoals die nu is en ziet gewoon… een aardige hond. Het is vergelijkbaar met de vraag ‘Heeft dat hondje de Boeddhanatuur?’ Joshu antwoordt: ‘MU.’ Waarmee je ook zou kunnen zeggen, de vraag naar waarheid is te beperkt voor de werkelijkheid.

Het Westerse denken is vooral op waarheid gericht: feitelijkheden, wetten en logische regels. Met als gevolg dat wij vaak ook alleen maar vanuit dat kader naar de werkelijkheid kijken, min of meer als een objectieve buitenstaander. Maar er is ook nog de werkelijkheid zelf, en dat staat centraal staat in de Oosterse filosofieën. Daarbij is vooral het contact met de werkelijkheid van groot belang.

Wie wel eens een intensieve retraite heeft gevolgd, kent dit misschien uit ervaring. Tijdens retraites mag vaak niet gepraat worden. Dat heeft iets eigenaardigs tot gevolg. Doordat je niet mag praten is het ook veel moeilijker om grip te krijgen op de werkelijkheid en zaken te bestempelen. Over bijvoorbeeld een onaardig iemand kun je niet tegen je buurman zeggen: ‘Goh, wat is die persoon onaardig.’ Doordat jouw oordeel niet bevestigd wordt, blijft er ruimte over. Het stempel Onaardig wordt minder hard, waardoor je blik veel langer open blijft. Je blijft simpelweg langer in contact met dat wat je ziet zonder dat het weg gestopt wordt in het hoekje ‘Onaardig’. Anders gezegd, de werkelijkheid blijft langer open.